Normen en Waarden             5
De Tien Geboden, gebod 8, 9 en 10

door predikant T. J. de Ruiter

Gebod 8. Gij zult niet stelen.

Een mens heeft - om een waardig, nuttig en aangenaam leven te leiden - bezittingen nodig. God gaf aan zijn volk een land als bezit en aan elke stam en familie een deel ervan. In de wetten van Israël werd vastgelegd dat dit bezit gewaardeerd en gerespecteerd diende te worden. Zo is er zelfs een bepaling dat het opperkleed, dat als pand was aanvaard voor zonsondergang moest worden terug gegeven omdat het in de nacht een noodzakelijk bedekking voor het lichaam was. Als men dit niet deed zou God horen naar het hulpgeroep van de arme; zie Exodus 22:26,27. Er is reeds eerder op gewezen dat de wetgeving van Mozes de beste wetten bevat, die ons uit de oudheid zijn overgebleven.

Naarmate de maatschappij groter en gecompliceerder bezit vereist kunnen deze principiële wetten worden uitgebreid tot alles, wat tot bezit, waaronder ook de persoonlijke prestaties, gerekend moet worden. Ik kan hier bijvoorbeeld ook denken aan auteursrechten en copyrights. Zo moet ook het plegen van plagiaat worden veroordeeld als overtreding van deze basiswet.

Deze wet benadrukt dus dat de bezittingen en prestaties van elk mens beschermd dienen te worden en dat op overtreding van dit beginsel een rechtvaardige straf moet worden gesteld. Het is een verbod van diefstal in alle vormen en situaties.
 

Gebod 9. Gij zult geen vals getuigenis spreken.

Dit is een verbod op schending van de naaste door het afleggen van een vals getuigenis over hem. Meineed, laster en eerroof moeten vanzelfsprekend ook tot dit kwaad gerekend worden en zijn dus door deze wet verboden. Ook alle geroddel, oneervol en afbrekend gepraat over een ander valt onder deze wet. Dit is een veel voorkomende zonde, helaas ook onder Christenen. Het wordt maar weinig beseft dat deze zonde een grote hindernis voor de Heilige Geest is om in de gemeente te werken. Roddelen en kwaad spreken van broeders en zusters verstoort in ernstige mate de geestelijke zuiverheid onder gelovigen. Dit is en blijft principieel: het spreken van waarheid over de ander is het cement van de samenleving en zeker ook in de kerk van Jezus Christus.

Het belang van een geheiligde tong wordt zowel in het Oude als het Nieuwe Testament benadrukt; zie Psalm 15:1-4; Spreuken 18:20; Jacobus 3; Jeremia 9:1-5; Spreuken 19:9.
 

Gebod 10. Gij zult niet begeren.... iets dat van uw naaste is.

Deze principiële wet spoort verkeerd gedrag na tot kwade motieven en verlangens. Er is innerlijk, geestelijk, iets fout met de mens; hij begeert  wat hij niet behoort te begeren.

Dit gebod toont aan dat de Tien Geboden niet slechts wetten zijn, die zich alleen op gedragingen richten, maar ook op het hart, de innerlijke gesteldheid, het innerlijk begeren naar zaken, die men niet hoort te verlangen. Dit gebod verbiedt hebzucht in alle manifestaties.

Jezus stelde dat het begeren van een andere vrouw gelijk is aan uitwendige daad van echtbreuk en overspel; zie Mattheüs 5:27, 28. Al het begeren van iets, dat van een ander is, is verboden en leidt, indien de begeerte niet onder controle wordt gebracht tot  een zondige daad; lees bijvoorbeeld over het begeren van Achab en het kwaad dat daaruit voortvloeide; zie 1 Koningen 21.

In Marcus 7:17-23 wees Jezus erop dat de kwade overleggingen en alle zonde uit het hart van de mens voortkomen. Lees ook wat Paulus schreef in Colossenzen 3:5: “Hebzucht, die niets anders is dan afgoderij.”

Buitensporige, onmatige verlangens en begeerten tonen dat het ego van de mens zijn afgod is geworden. Paulus schreef in 1 Timotheüs 6:9: "De wortel van alle kwaad is de geldzucht." Geldzucht is niet anders dan hebzucht. Veel vormen van criminaliteit worden door de geldzucht veroorzaakt. Geldzucht leidt tot bedrog, tot diverse vormen van diefstal en zelfs tot moord.

Petrus wijst in 2 Petrus 1:4 zowel op de oorzaak van het verderf in de mens en de samenleving als op de bevrijding ervan. Hij schreef: "Door deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door begeerte in de wereld heerst."

Het tiende gebod raakt dus de oorsprong van de ellende aan, de niet aan God onderworpen begeerte. Het was de oorspronkelijk zonde in het Paradijs - zie Genesis 3:6 - dat de mens de goddeloze begeerte toeliet en het gebod van zijn Schepper terzijde schoof. Hier was het de begeerte naar een elementaire kennis, die de mens - zo werd hem voorgehouden door de verleider - aan God gelijk zou maken.

Het beginsel, door het tiende gebod vastgelegd, is dat wij niets behoren te begeren, dat ons van Godswege niet wordt toebedeeld. Hij, die zijn hart en wil volkomen onderwerpt aan God, zal niets anders begeren dan zijn wil te doen. Het grote voorbeeld van volkomen heilig, godvruchtig begeren is Jezus Christus: "Zie, hier ben Ik, om uw wil te doen."
 

Bezinningsvragen

Denk er eens goed over na of u niet misschien iemand op de één of andere wijze van iets berooft. Indien dit het geval is, hoe zou u dit in orde kunnen maken?

Denkt u dat Maleachi 3:8 nog betekenis voor ons heeft? God beschuldigde hier, bij monde van de profeet Maleachi, zijn volk ervan Hem te beroven omdat het de tiende van de inkomsten niet afdroeg aan zijn huis.

Denk eens na over wat Paulus schreef m.b.t. de wet: De letter doodt, maar de Geest maakt levend; zie 2 Corinthiërs 3:6.

Denk eens na over de vraag of je echt volgens de wet van de vrijheid - die van de liefde - in Christus leeft of in beginsel misschien nog 'onder de wet' bent.

Twee slotvragen:
Wat hebben we als christenen aan de Tien Geboden?
Hoe zou door overheid en kerk in onze Nederlandse samenleving meer aandacht aan de Tien Geboden gegeven kunnen worden?

Voor een reactie, e-mail... Pastor T. J. de Ruiter

Home site 1 'Inspiratie & Inzicht' van T. J. de Ruiter"
Home van deze site van Stichting Support Christian Ministries

~~~~~~~~~~~~~
Stichting Support Christian Ministries, sinds oktober 2010 / update 22 maart 2011 / Pastor T. J. de Ruiter / The Netherlands